Wie rookt?

Algemene cijfers

Gezondheidsenquête

Uit de in 2015 gepubliceerde cijfers van de laatste Gezondheidsenquête blijkt dat nog altijd bijna één op de vier Belgen rookt: 23% rookt, 19% doet het dagelijks, 4% occasioneel. In Vlaanderen gaat het in totaal over 22% rokers.

Sinds 2008 is het aantal rokers met amper 2% verminderd. De prevalentie van roken is op haar hoogst in de bevolking op actieve leeftijd (25 tot 64 jaar), daar vindt men tussen 26% en 29% rokers. Er is een verontrustende stijging van het roken en dagelijks roken bij jonge vrouwen.

Het aantal sigaretten dat dagelijks wordt gerookt – gemiddeld 16 – is sinds tien jaar onveranderd gebleven. Eén dagelijkse roker op zes vertoont tekenen van zware tabaksafhankelijkheid. In de leeftijdsgroep van 35-44 jaar is het aantal rokers en dagelijkse rokers het hoogst (respectievelijk 29% en 24%).

Rookenquête

Een andere infobron is de jaarlijkse rookenquête van de Stichting tegen Kanker. Uit de meest recente (2017) blijkt dat in België nog 1 op 5 Belgen rookt en dat er geen significant verschil is in het aantal rokers tegenover 2015.

17% rookt dagelijks.

In Vlaanderen zijn er volgens deze enquête nog 17% rokers, 15% rookt dagelijks.

Scherpere blik op de cijfers: roken en sociaal-economische achtergrond

Gezondheidsenquête

Hoort roken bij een lagere sociaal-economische status? Roken is “vooral een gewoonte van mensen en sociale middens die geen hoger onderwijs hebben gevolgd”, volgens de Gezondheidsenquête.

Rookgedrag wordt sterk bepaald door sociaal-economische status. Rokers en dagelijkse rokers zijn proportioneel minder talrijk in hoger opgeleide milieus (respectievelijk 16% en 12%) dan in lager opgeleide milieus (20% à 30% rokers en 18% à 26% dagelijkse rokers volgens de lagere opleidingsniveaus). Onder hogeropgeleiden vindt men minder zware rokers.

Lageropgeleide rokers roken meer sigaretten en zijn meer tabaksafhankelijk. Ook de gemiddelde leeftijd waarop met regelmatig roken begonnen wordt hangt samen met opleidingsniveau: laagopgeleiden beginnen vroeger.

Rookenquête

Uit de rookenquête van de Stichting tegen Kanker blijkt ook het verband tussen roken en sociaal-economische status. In de hoogste sociale klassen zijn er 11% rokers, in de laagste 32%. Bij arbeiders en werklozen is het percentage rokers veel hoger dan gemiddeld, respectievelijk 30% en 39%.

In de laagste sociale klasse wordt het meest gerookt. Roltabak is populairder bij de lagere sociale klassen.

Gezondheidskloof

Er zijn in ons land grote sociale verschillen op het vlak van gezondheid. Voor verschillende welzijnsindicatoren werd ongelijkheid tussen socio-economische groepen vastgesteld: de levensverwachting, het aantal jaren dat in goede gezondheid wordt doorgebracht, de kindersterfte, de gezondheidsstatus, de medische consumptie en ook het gezondheidsgerelateerd gedrag, zoals de voedingsgewoonten, (het gebrek aan) lichaamsbeweging en het gebruik van tabak.

Roken speelde een grote rol bij het ontstaan en verder toenemen van die gezondheidskloof. En dat doet het vandaag nog. Het is een van de grootste oorzaken van gezondheidsongelijkheid. Roken leidt immers tot ernstige gezondheidsschade.

De verschillen in tabaksgebruik tussen laag- en hooggeschoolden namen de voorbije decennia ook toe omdat relatief meer hooggeschoolden stopten.

Gezondheidsongelijkheden door tabaksgebruik

Overal ter wereld roken de armsten het meest en zijn ze het doelwit van de goedgeoliede marketingmachine van de tabaksindustrie. Arme families spenderen een proportioneel groter deel van hun gezinsinkomen aan tabak, maar kunnen als gevolg van medische kosten voor tabaksgerelateerde ziekten nog dieper in armoede belanden. Er is een sterk verband tussen armoede en tabaksgebruik, zo stelt de Wereldgezondheidsorganisatie.

Deze ongelijkheden zijn er op verschillende niveaus:

  • Samenhangend met de brede maatschappelijke context: armoede, werkloosheid, sociale uitsluiting, de beschikbaarheid van en toegang tot tabak, ….
  • In de blootstelling aan andere rokers in de omgeving (opgroeien in een rokersomgeving verdubbelt de kans om zelf roker te worden) en aan andere factoren die met tabaksgebruik samenhangen: chronische stress, lagere impact van anti-rokencampagnes bij bepaalde groepen rokers, ….
  • In de grotere kwetsbaarheid die met tabaksgebruik samenhangt. Bv. bepaalde groepen rokers kennen een hogere co-morbiditeit, leerlingen in het beroepsonderwijs hebben vaak een lager zelfbeeld en minder copingvaardigheden, ….
  • In de toegang tot de gezondheidszorg en het stoppen-met-rokenaanbod.

Alarmerend is dat de ongelijkheden in tabaksconsumptie en tabaksgerelateerde gezondheidsschade in Europa verder toenemen.

Uit onderzoek blijkt ook dat rookstopinterventies de gezondheidsongelijkheden niet noodzakelijk terugdringen, maar ze soms zelfs vergroten. De Wereldgezondheidsorganisatie roept daarom op om interventies van tabakscontrole en -ontmoediging steeds ook vanuit een ‘gezondheidsongelijkheidsreflex’ te bekijken. Er moet dus vooraf stilgestaan worden bij de impact die een interventie op de bestaande ongelijkheid kan hebben.

Besluit

Rookgedrag hangt samen met een maatschappelijk kwetsbare positie. Uit onderzoek blijkt ook dat gezondheidsongelijkheden op het vlak van tabaksgebruik en –schade al beginnen voor de geboorte en gedurende de hele levenscyclus een rol spelen: in de kindertijd, bij het beginnen met roken, bij het stoppen en bij het aanpakken van de gezondheidsproblemen die roken veroorzaakt.

Het ervaren van verschillende aspecten van socio-economische achterstelling versterkt nog de ongelijkheden in tabaksgerelateerde schade.

Meer weten? Hoe pakken we dit probleem aan? Wat werkt?